Waarom voel ik me anders dan anderen?
“Ik heb altijd het gevoel gehad dat ik anders ben.”

Het is één van de zinnen die ik in mijn praktijk het meest hoor. Opvallend genoeg wordt die bijna nooit uitgesproken met overtuiging. Mensen zeggen het aarzelend, alsof ze zich ervoor schamen. Alsof het voelen van verschil op zichzelf al bewijst dat er iets mis met je moet zijn. Vaak volgt er direct een poging om dat gevoel te verklaren. 'Misschien ben ik te gevoelig.' 'Misschien denk ik te veel na.' 'Misschien heb ik ADHD.' 'Misschien autisme?' 'Misschien ben ik hoogbegaafd...'
'Misschien is er gewoon iets mis met mij.'
Ik vind dat een opmerkelijke ontwikkeling. Niet omdat diagnoses onbelangrijk zouden zijn. Integendeel. Een goede diagnostiek kan enorm helpend zijn en voor veel mensen eindelijk woorden geven aan iets wat jarenlang onbegrepen bleef. Wat mij opvalt, is iets anders. We lijken steeds vaker te geloven dat we pas serieus genomen mogen worden wanneer ons lijden een officiële naam heeft gekregen. Alsof een diagnose bepaalt of jouw ervaring werkelijk bestaat. Alsof je jezelf pas mag vertrouwen wanneer een deskundige bevestigt dat je gevoel terecht is.
Ik geloof daar niet in.
Sterker nog, ik denk dat veel mensen zichzelf de verkeerde vraag stellen. De vraag is meestal niet waarom je anders bent. De vraag is waardoor je bent gaan geloven dat je anders móést zijn. Dat lijkt een klein verschil, maar het verandert de richting waarin je kijkt volledig. De eerste vraag zoekt een verklaring in jezelf. De tweede onderzoekt de relatie tussen jou en de omgeving waarin je bent opgegroeid.
Dat is geen detail. Mensen ontwikkelen zich namelijk nooit los van andere mensen. Vanaf het moment dat je wordt geboren, leer je wie je bent door de manier waarop anderen op je reageren. Een kind ontdekt zichzelf niet in een spiegel, maar in de blik van zijn ouders. Wanneer verdriet wordt getroost, boosheid begrensd en enthousiasme beantwoord, leert een kind langzaam: mijn gevoelens mogen bestaan en ik mag bestaan zoals ik ben.
Maar zo groeit niet ieder kind op.
Wanneer we het over een moeilijke jeugd hebben, denken veel mensen aan geweld, misbruik of voortdurende ruzies. Dat bestaat en de gevolgen daarvan kunnen ingrijpend zijn. Er is echter een andere vorm van beschadiging die veel minder zichtbaar is en daardoor juist zo vaak onopgemerkt blijft: emotionele verwaarlozing. Niet omdat ouders slechte mensen zijn of bewust tekortschieten, maar omdat een kind structureel niet wordt gezien in wat het van binnen ervaart.
Emotionele verwaarlozing gaat meestal niet over wat er gebeurde. Ze gaat over wat ontbrak.
Misschien was er voldoende eten, waren de kleren schoon en werd er hard gewerkt om het gezin draaiende te houden. Misschien was er zelfs liefde. Toch kan een kind zich fundamenteel alleen voelen wanneer emoties nauwelijks worden opgemerkt, worden weggewuifd of vooral lastig lijken te zijn. Een kind dat steeds opnieuw merkt dat verdriet wordt gerelativeerd, angst overdreven wordt gevonden of enthousiasme weinig weerklank krijgt, leert iets ingrijpends. Niet dat de ouders iets tekortkomen. Kinderen denken zelden zo. Ze trekken een conclusie over zichzelf.
'Er zal wel iets mis zijn met mij.'
Dat is misschien wel de pijnlijkste overtuiging die een mens kan ontwikkelen. Niet alleen omdat deze zo ingrijpend is, maar vooral omdat het meestal niet wordt ervaren als een overtuiging. Het voelt als een feit.
Vanaf dat moment gebeurt er iets merkwaardigs. De aandacht verschuift langzaam van binnen naar buiten. In plaats van jezelf af te vragen wat je voelt, ga je je afvragen wat de ander nodig heeft. In plaats van spontaan te reageren, leer je eerst de situatie in te schatten. Je let op gezichtsuitdrukkingen, stemmingen, stiltes en veranderingen in gedrag. Niet bewust, maar omdat jouw zenuwstelsel heeft geleerd dat veiligheid afhangt van het goed kunnen lezen van de omgeving.
Psychologen noemen dat hypervigilantie: een verhoogde waakzaamheid voor mogelijke signalen van gevaar, afwijzing of spanning. Ik gebruik dat woord in gesprekken overigens niet zo vaak. Niet omdat het onjuist is, maar omdat het gemakkelijk de indruk wekt dat het probleem in de persoon zit. Ik vind een andere vraag veel interessanter: waarom is iemand zo alert geworden?
Niemand wordt geboren met de behoefte voortdurend op zijn hoede te zijn.
Dat leer je.
En wat je leert, heeft meestal een functie gehad.
Juist daarom vind ik het riskant wanneer mensen hun voortdurende alertheid uitsluitend zien als een karaktereigenschap. Ze zeggen dat ze nu eenmaal gevoelig zijn, anderen goed aanvoelen of uitzonderlijk empathisch zijn. Dat kan allemaal waar zijn. De vraag is alleen waardoor dat vermogen is ontstaan. Voel je anderen goed aan omdat je nieuwsgierig bent naar mensen? Of omdat jouw lichaam ooit heeft geleerd dat veiligheid afhangt van het voortdurend voorspellen van wat anderen gaan doen? Dat zijn twee totaal verschillende processen, ook al zien ze er aan de buitenkant hetzelfde uit.
Een patroon dat ik in mijn praktijk regelmatig tegenkom, begint dan ook zelden met de vraag of iemand emotioneel verwaarloosd is. Mensen komen omdat ze uitgeput zijn, voortdurend twijfelen aan zichzelf, vastlopen in relaties of het gevoel hebben nergens echt bij te horen. Pas wanneer we samen onderzoeken hoe zij hebben geleerd naar zichzelf te kijken, verschijnt er vaak een heel ander verhaal. Niet het verhaal van iemand die fundamenteel anders is, maar van iemand die zich jarenlang heeft aangepast aan een omgeving waarin zichzelf zijn niet vanzelfsprekend veilig voelde.
Dat aanpassen wordt na verloop van tijd zo vanzelfsprekend dat veel mensen het niet eens meer herkennen. Ze functioneren goed, nemen verantwoordelijkheid, zijn betrouwbaar, loyaal en vaak opmerkelijk zorgzaam voor anderen. De omgeving ziet iemand die sterk is. Zij ervaren zelf vooral hoe vermoeiend het is om voortdurend af te stemmen, vooruit te denken en zichzelf te corrigeren.
Misschien is dat wel één van de belangrijkste verschillen die ik in mijn werk ben gaan zien: De meeste mensen hebben niet geleerd zichzelf te begrijpen. Ze hebben geleerd zichzelf te corrigeren.
Dat is iets fundamenteel anders.
Wanneer je als kind onvoldoende ruimte hebt ervaren om jezelf te zijn, ga je niet onderzoeken wie je bent. Je gaat onderzoeken wie je moet worden om erbij te blijven horen. Dat proces kan zo diep ingesleten raken dat je als volwassene nog precies weet wat een partner nodig heeft, wat collega’s van je verwachten of hoe je een conflict kunt voorkomen, terwijl je nauwelijks nog kunt beantwoorden wat jij zelf voelt, wilt of nodig hebt.
Veel mensen noemen dat een identiteitsprobleem. Ik denk dat die conclusie vaak te snel wordt getrokken.
Ik denk niet dat de meeste mensen zichzelf zijn kwijtgeraakt. Ik denk dat ze zichzelf jarenlang hebben onderbroken.
Bij sommige mensen wordt dit nog ingewikkelder doordat zij beschikken over sterke cognitieve vermogens. Dat zie ik bijvoorbeeld regelmatig bij hoogbegaafdheid. Niet omdat hoogbegaafdheid psychische klachten veroorzaakt, maar omdat iemand met een sterk analytisch vermogen ook eindeloos alternatieven, nuances en tegenargumenten kan bedenken. Waar de één zichzelf geruststelt met een eenvoudige verklaring, ziet de ander meteen tien mogelijke uitzonderingen. Dat maakt zelfonderzoek rijker, maar ook vermoeiender. Juist mensen die heel genuanceerd kunnen denken, blijken soms opvallend lang te twijfelen aan hun eigen waarneming. Ironisch genoeg is het vermogen om kritisch te denken dan niet de oplossing, maar juist een factor die onzekerheid in stand kan houden.
Daarom geloof ik ook niet dat herstel begint met nóg meer analyseren. Inzicht is waardevol, maar inzicht alleen verandert zelden een leven. Uiteindelijk gaat herstel veel vaker over iets anders: langzaam ontdekken dat je jezelf niet langer voortdurend hoeft te corrigeren. Dat je gevoelens niet eerst goedgekeurd hoeven te worden voordat ze mogen bestaan. Dat je niet hoeft te bewijzen dat je lijden ernstig genoeg is om serieus genomen te worden.
Misschien voel jij je inderdaad anders dan veel mensen om je heen. Maar misschien is dat niet omdat er fundamenteel iets mis is met jou.
Misschien heb je jarenlang geprobeerd te overleven in omstandigheden waarin jezelf zijn eenvoudigweg niet de veiligste optie was.
En als dat waar is, dan begint verandering misschien niet met het vinden van de juiste diagnose, maar met een veel ongemakkelijkere gedachte.
Misschien was er met jou al die tijd veel minder mis dan je hebt leren geloven.